
 |
1/2
'Mart, Mart! Wakker worden!'
Voorzichtig doet Mart zijn ogen open. Is het nu al tijd om op te staan?
'Kom op, luilak, word eens wakker!'
'Ja mam, ik kom,' roept Mart. Snel kleedt hij zich aan en haast hij
zich het trappetje af naar beneden.
Marts moeder goochelt in de keuken met de koekenpan en twee eieren.
Mart grist een boterham van de tafel en zegt: 'Mam, ik ga nog even boven
kijken.' Zonder op antwoord te wachten verdwijnt hij het gangetje in en
rent hij de zevenentachtig treden van de vuurtoren op.
Van bovenaf tuurt Mart naar de school, het politiebureau, het stadhuis,
het museum en alle andere gebouwen in het dorp. Dat doet hij elke dag.
Mart pakt de verrekijker. Beneden hem loopt de postbode door de Hoofdstraat.
Hij gooit een brief door de brievenbus van de blinde man. Het architectenbureau
krijgt een lange kartonnen koker.
Mart laat de verrekijker langs het haventje glijden, langs de visserskotter,
langs het strand, over de zee, tot aan de horizon. Daar, ergens in
de verste verte lag vroeger een eiland. Dat heeft Mart gehoord van meneer
Lodewijk, de meneer van het winkeltje. Toen Mart hem vroeg waar het dan
gebleven was, had meneer Lodewijk zijn schouders opgehaald en uitgeroepen:
'Het eiland is verdwenen.' Meneer Vos, de directeur van het museum had
een heel andere mening. Hij zei: 'Het eiland? Dat is verzonnen.'
KLIK voor het vervolg:
|