
 |
2/2
Drie dagen lang tuurde Mart door zijn verrekijker naar het schip. Het was
een mooi schip. Het zag er uit zoals een oud verroest vissersschip er uit
moest zien. Veel roest. Een kapiteinshut. Maar ook een wapperend, gescheurd
zeil.
Soms verscheen de gestalte van een oude man aan dek. Mart volgde hem met
zijn blik. Met zijn kapiteinspet op en een schrobber in zijn handen, schrobde
de oude kapitein het dek van zijn schip.
De volgende dag, op de terugweg van school naar huis, slenterde Mart langs
de kade. Hij schopte steentjes in het water. Hij bleef zo onopvallend mogelijk
stilstaan bij het uit de mist verschenen schip.
De kapitein repareerde het gescheurde zeil. In zijn ene hand het zeil. In
zijn andere hand de naald. In de naald de draad.
'Waar komt u vandaan?' waagde Mart het te vragen.
'Van ginds,' was het enige antwoord. Mart bleef staan waar hij stond. Tot
het tijd was om naar huis te gaan. Op dat moment, op het moment dat Mart
zich omdraaide om op te stappen, mompelde de oude kapitein: 'van het eiland.'
Mart holde de hele weg naar huis. Tegen het duin op. De zevenentachtig treden
op.
'Die man is gek,' was het antwoord van Marts moeder. 'Er is geen eiland.'
Wil je reageren? Gebruik dan De Brievenbus
|