
 |
1/2
Er is een oud verhaal dat verteld moet worden. Over een gebeurtenis die
langer geleden plaatsvond dan vandaag of gisteren.
Er scheen die dag geen zonlicht door het dakraampje. De wekker was stil blijven
staan op half vier. Of was het werkelijk half vier?
Mart gooide zijn benen over de bedrand. Hij wreef de slapers uit zijn ooghoeken.
Hij keek door het dakraampje naar buiten. Een grijze mistdeken bedekte het
dorp. En ook van de zee was geen druppel te zien. Alles was grijs. Mart wist
waar hij zijn moeder vinden kon. Bovenin de toren. Ze poetste de glazen of
haar leven ervan afhing.
Plotseling doorboorde het loeien van een scheepshoorn de grijze mist. Mart
keek in de schrikogen van zijn moeder. Ze konden niets doen. Ergens, daar
midden in het grijs, was een schip. Een schip in nood.
'We zijn machteloos,' kermde Marts moeder. Met woeste gebaren wrong ze haar
gele doekje uit, haalde het door het sop en begon weer van voren af aan met
het poetsen van de glazen.
Mart ging de zevenentachtig treden van de trap naar beneden om zijn duiven
te gaan verzorgen. Uit voorzorg liet hij hen binnen. Ook al vermoedde hij
wel dat duiven niet snel verdwalen in de mist.
Verder gebeurde er niets die dag. Het loeien van de scheepshoorn. Het voeren
van de duiven. Alleen dat.
De volgende dag lag er een schip in de haven.
Het was het eerste schip dat Mart ooit in de haven had gezien.
Niemand begreep hoe het daar gekomen was. Het lag aan de kade of het er altijd
al gelegen had.
Kijk door de verrekijker:
|