home - boeken - Schrijver op school - Over de schrijver - E-mail -

Een aanstaande vrachtwagenchauffeur van tien?
Jeugdfoto

Ja, toen ik tien was, wilde ik vrachtwagenchauffeur worden. Mijn vader had een eigen vrachtauto. Elke vrije dag, elke schoolvakantie reed ik met hem mee.
Waar ik geboren ben?
Op 24 juni 1953 werd ik geboren in Maassluis, een plaatsje aan de Waterweg, tussen Hoek van Holland en Rotterdam. Daar heb ik tot mijn achttiende gewoond.
Daarna volgde ik een opleiding tot maatschappelijk werker in Baarn. Ik behaalde er mijn diploma en vond meteen werk in de drugshulpverlening in Utrecht. Pfff, dat was zwaar werk!
Mijn eerste boek schreef ik pas toen ik op mijn achtentwintigste vader werd. Het is een handboek voor vaders: 'Een beetje zwanger.' Sindsdien heb ik de smaak te pakken en heb ik van het schrijven mijn beroep gemaakt. Het mooiste - vrije - beroep van de wereld!

Arend

De tien vragen die het meest aan mij worden gesteld:


1. Waarom bent u schrijver geworden?
Meestal beantwoord ik die vraag ongeveer op de volgende manier:
Ik was 28 jaar toen ik wist dat ik vader ging worden. Ik was heel nieuwsgierig en wilde zoveel mogelijk te weten komen over wat ik allemaal mee zou kunnen maken. Maar vreemd genoeg was noch in de boekenwinkel, noch in de bibliotheek ook maar een boek over het vader-worden te vinden.
Toen dacht ik voor de allereerste keer in mijn leven: Misschien zou ik zelf zo'n boek kunnen schrijven. Ik ben meteen begonnen met alles op te schrijven wat mij overkwam. Twee jaar na de geboorte van mijn zoon Marius lag het boek in de winkel. Het heet: EEN BEETJE ZWANGER, handboek voor vaders. Het wordt bijna elk jaar wel een keer herdrukt.
Je begrijpt al dat ik na het schrijven van mijn eerste boek zo de smaak te pakken heb gekregen dat ik een tweede, een derde, een vierde... boek ben gaan schrijven.
Geen haar op mijn hoofd had er ooit aan dacht dat je van schrijven je beroep kunt maken (Als kind hield ik al helemaal niet van opstellen schrijven. Pas op de middelbare school begon ik met het schrijven van verhalen voor de schoolkrant) maar echt, het kan. En het is het leukste beroep van de hele wereld.

2. Is het leuk om schrijver te zijn?
Heel erg leuk zelfs. Als schrijver ben je helemaal eigen baas. Ik kan schrijven wat ik wil. En ik kan schrijven wanneer ik maar wil. Het liefst schrijf ik als ik in de trein zit. Op weg naar een school bijvoorbeeld.
Soms zou het weleens prettig zijn als iemand zei: 'Van Dam, het is al half negen, aan de slag.' Want ik heb erg de neiging om 's morgens te gaan luieren. Krantje lezen, koffie drinken. Ach, schrijven kan vanmiddag nog wel.

3. Wat vindt u zelf uw mooiste boek?
Pfff, wat een moeilijke vraag.
Het boek met de mooiste buitenkant vind ik nog altijd POE'I.
En het boek met de mooiste binnenkant? Ik zou het echt niet weten. PETER, misschien. Of HET LAATSTE AVONTUUR...
Maar alsjeblieft, dwing me niet om te kiezen. Ik vind al mijn boeken even mooi.

4. Schrijft u ook griezelboeken?
Nee, gelukkig niet. Ik ben zelf doodsbang in het donker. Ik heb een hekel aan heksen en vampiers. En ik heb niet genoeg fantasie om ruimtewezens te bedenken of andere griezels.
Bovendien: er zijn al genoeg goede griezelverhalenschrijvers. Die hebben mij er niet bij nodig. Laat mij mijn eigen verhalen maar opschrijven. Het liefst verhalen die echt zijn gebeurd.

5. Wat vinden uw kinderen ervan dat u schrijft?
Leuk, denk ik. Natuurlijk mogen ze al mijn verhalen lezen nog voor ik ze naar de uitgeverij opstuur. Mijn jongste dochter lees ik bijna elke dag voor als ik haar naar bed breng.
Misschien is het voor kinderen van een schrijver wel niet zo bijzonder om de kinderen van een schrijver te zijn. Zoon zijn van een piloot, of dochter zijn van een dokter vinden ze misschien veel leuker.

6. Hoe oud bent u.
Waarom willen kinderen dat toch altijd weten?
En als ik dan vertel dat ik geboren ben in 1953, dan gaan ze snel zitten rekenen en beginnen ze Oh en Ah te roepen omdat ze me al een oude man vinden.
Maar goed, nu weten jullie hoe oud ik ben. Ik ben geboren in Maassluis. Ik woon in Veenendaal. Mijn vrouw geeft Nederlandse les op een school. We hebben een zwart konijn. (De twee kippen zijn niet zo lang geleden dood gegaan)

7. Wat was vroeger uw lievelingsboek?
Meestal zeg ik: 'Abeltje' van Annie M.G.Schmidt. Dat was een ongelofelijk avontuur over een jongetje die de wereld rondreisde in een lift. En zo spannend geschreven!
Bij ons thuis lazen we veel boeken van W.G. van der Hulst. Hij schreef een prachtig boek over een ernstig zieke jongen die dood ging. Zo'n soort boek het ik zelf ook proberen te schrijven (Het laatste avontuur). Pas achteraf dacht ik: zonder erbij na te denken heb ik W.G. van der Hulst nagedaan.

8. Bent u nu ook met een boek bezig?
Ja zeker, maar daar verklap ik nog niets over. Meestal werk ik 's morgens aan een boek voor oudere kinderen. Een boek over Michiel de Ruyter bijvoorbeeld (Oeps).
En 's middags schrijf ik losse verhaaltjes voor jongere kinderen. Verhaaltjes voor een prentenboek over... (Nee, ik verklap niets meer).

9. Krijgt u ook geld voor uw boeken?
Gelukkig wel. Maar als schrijver moet je wel veel geduld hebben. Stel je schrijft een mooi verhaal. Je typt het uit en je stuurt het op naar een uitgeverij. Als ze het verhaal goed genoeg vinden, gaan ze er een echt boek van maken. Er wordt een illustrator gezocht. Er worden tekeningen gemaakt. En pas na een hele tijd. Soms een half, soms een heel jaar, ligt je boek in de winkel. Pas als het jaar om is gaat de uitgeverij tellen hoeveel van jouw boeken er zijn verkocht. Van elk verkocht boek krijgt de schrijver een deel, een percentage. Meestal is dat een tiende deel (10%). Dat lijkt heel weinig. Maar je moet goed begrijpen dat de uitgeverij, de drukkerij, de binderij, het Centraal Boekhuis, de boekhandel en de illustrator er ook iets aan moeten verdienen.

10. Maakt u zelf de tekeningen?
Neen, jammergenoeg kan ik daar niet goed genoeg voor tekenen. Meestal is het de uitgever die voorstelt: Zullen we Yvonne Jagtenberg vragen voor de illustraties?
Ja graag, zeg ik dan, want haar illustraties zijn heel goed.
Een paar jaar geleden heb ik wel een paar kinderboekjes gemaakt waarop mijn naam tweemaal voorkwam. Een zo'n boekje heette bijvoorbeeld: EEN MOND VOL TANDEN. Op het omslag stond: Arend van Dam en Arend van Dam. Die eerste, dat was ik. Maar wie was dan die andere Arend? Ik zal het je verklappen: dat was mijn achter-achterneef. Hij is tekenaar van beroep. We hebben samen vier boekjes gemaakt. Maar die vind je geen van allen in de winkel. Wel in de bibliotheek. Ze heten: HET PIETENBOEK, OLIEBOLLEN EN VUURWERK, EEN DAGJE UIT-EEN WEEKJE WEG en EEN MOND VOL TANDEN.